Wielrennen is veelzijdig. Omdat iedereen deze sport op een andere manier ervaart, proberen we met regelmaat gastschrijvers een stuk voor The Prologue te laten schrijven. Lisanne van Marrewijk, zelfbenoemde newbie op de racefiets, neemt ons mee op haar eerste fietstocht van 2018.

De eerste tocht van het jaar

“Hoeveel zin ik er ook in had, toen de wekker zondagochtend om zeven uur ging, vroeg ik me toch even af waarom ik dit ook alweer zo leuk vond. Want zondagen zijn niet voor wekkers. En al helemaal niet voor wekkers op van die onchristelijke tijdstippen. Maar toen ik vervolgens in het zuidelijke Limburg de auto uitstapte, m’n fiets van de dragers haalde, in m’n pakkie op het zadel klom en de eerste paar keer die trappers ronddraaidde, wist ik het weer: de eerste fietstocht van het jaar.

Samen met mijn vader in het Limburgse heuvellandschap

Bergje op, bergje af

Met m’n vader en twee broers hadden we een 80 kilometer rit uitgestippeld rond Valkenburg. Jep, da’s inderdaad dat gedeelte van Nederland waar al die bergen zich verzameld hebben. En nope, dat was ook niet mijn eerste keus.

Lekker rondzoeven, m’n ogen uitkijken en bidden dat er niemand na die onoverzichtelijke bocht vanaf de andere kant op je af komt klimmen (want bergje af), maar ook als een malle je versnelling naar beneden gooien, ongegeneerd schelden op de wereld en hopen dat dat plekje wat de top lijkt te zijn ook daadwerkelijk de top is (want bergje op).

Achteruit weer naar beneden

En ja, ik had inderdaad een klein zenuwtje of mijn ongetrainde benen me niet halverwege één van die Limburgse heuvels in de steek zouden laten en ik langzaam maar zeker achteruit naar beneden zou rollen. Maar hé, de zon scheen en aan het eind van zo’n berg stond me ergens een Radler te wachten, dus dat hield me wel op de been. Eh, fiets.

Mijn twee broers, vader en ikzelf

De Cauberg op

Toen we na vijf kleine kilometers bij de voet van de Cauberg kwamen, vond m’n jongste broertje dat we deze wel even konden pakken. Dat vond ik toen ook. Totdat ik na 100 meter al met m’n tong op de sportschoenen hing en mezelf afvroeg hoe ik de overige 75 kilometer van de tocht uit deze benen ging persen. Maar hé, Radler, dus doortrappen.

Eenmaal bovenaan die berg – waar m’n broers al bijna drie bier en een bittergarnituur hadden baas gemaakt tijdens het wachten – kwam ik erachter waar dit allemaal goed voor was. Want toen ik vanaf daar naar beneden rolde, kon ik niks anders dan alleen maar lachen en een beetje ‘whiii’ roepen. Oh, en mezelf afvragen hoeveel ongelukken er aan de voet van die berg gebeuren. Want hallo, dat is me het T-splitsinkje wel hoor…

Volgende week weer!

En elk daaropvolgend bergje was dit wel zo ongeveer wat er gebeurde. Met de tong op de schoenen en de tanden op elkaar de berg op en vervolgens met macht tien weer van de berg af. Fietsen is LEUK! En de bijkomende bruine benen trouwens ook. Volgende week weer. Ik heb wel weer trek in zo’n Radlertje.”