Ergens in het heuvelachtige deel van West-Australië fietst Jack Thompson, ook wel bekend als ‘Jack Cycles Far’, de klok rond. Drie jaar geleden besloot hij een duik in het diepe te nemen door z’n vaste baan op te zeggen voor een leven op de fiets. Waar hij in 2017 zo’n 52.000 kilometer op de tweewieler heeft afgelegd, probeert hij z’n grenzen ook dit jaar weer te verleggen. Zo heeft hij voor 2018 en 2019 een aantal challenges op het programma staan waar je – eerlijk gezegd – bang van wordt. De eerste uit deze serie was het rijden van de Taiwan KOM-challenge. Vier keer achter elkaar. In een exclusieve tweedelige column voor The Prologue schrijft Jack over z’n ervaringen.

Lees deel 1 van deze column hier.

De rit

Nog vol van het ontbijt trek ik m’n schoenen aan. Met m’n helm op, bidonnen én achterzakken gevuld, begin ik aan wat de eerste 48 uur fietsen moest worden.

Mijn benen voelden goed. Eigenlijk voelde alles goed. M’n hartslag zat waar-ie moest zitten, m’n vermogen zat perfect tussen de 280 en 300 Watt; ik had het gevoel dat ik vloog. Na 30 kilometer klimmen versperde een landverschuiving echter de weg. We konden niet door, en moesten hier bijna een uur wachten. M’n hartslag daalde, ik begon af te koelen en de eerste zorgen schoten door m’n hoofd. Als ik, om wat voor reden dan ook, elke klim én afdaling een uur lang zou moeten wachten, zou het hele tijdsschema uitlopen. Wat zou betekenen dat ik de start van de officiële wedstrijd zou missen. Een rilling schoot door m’n lichaam.

De rit ging verder na een groen licht. Zo’n 4,5 uur na de start, rond 3 uur ’s nachts, bereikte ik de top voor de eerste keer. Om vervolgens snel m’n winterset aan te trekken; de temperatuur was rond het vriespunt toen ik aan de eerste afdaling begon. Je zou denken dat het afdalen van de 100 kilometer in twee uur te doen is. Maar de ligging van de klim, de smalle wegen en de grillige en technische bochten betekende dat ik de gehele afdaling 100% gefocust moest blijven. Het duurde dan ook 3 uur. Je zou denken dat afdalen sneller kan dan 33 kilometer per uur, maar het was haast onmogelijk om veel sneller te gaan.

Eenmaal beneden aangekomen was het tijd voor m’n geliefde portie bolognese van de 7Eleven, om vervolgens weer om te keren en de klim voor de tweede keer aan te vallen. Omdat ik de eerste keer van mezelf geen muziek mocht luisteren, voelde dit de tweede klim als een cadeautje. Koptelefoon op, muziek aan en de klim op. In het donker. Toen ik 5 uur later op de top stond, was het pikkedonker en ijskoud. De temperatuur was inmiddels onder het vriespunt gedaald, en een ijzige wind blies over de bergkam. Ik wist niet hoe snel ik mezelf moest inpakken voor de afdaling om naar de warmere, lager gelegen delen af te zakken.

De derde klim was bijna de makkelijkste. Ik was nu over de helft van de uitdaging, en lag ondertussen al 7 uur voor op het schema. Mentaal zat het goed, en de maanden voorbereiding zorgden ervoor dat ik goed kon doortrappen. Aan het eind van de derde klim maakte ik m’n team kenbaar dat ik voor een (niet geplande) 4e beklimming wilde gaan, vóór de officiële wedstrijd van start ging. Daarmee zou ik op een totaal van 5 beklimmingen uitkomen. Dat staat gelijk aan 900 kilometer en een dubbele Everesting. Met slecht weer en een strak tijdschema rondom de wedstrijd in het verschiet, praatte de rest van het team dit wijselijk m’n hoofd. Eenmaal beneden, na de derde keer afdalen, werd het duidelijk dat ik al 10 uur voor liep op het tijdschema. Met 600 kilometer en ruim 10.000 hoogtemeters in de benen besloten we terug naar het hotel te gaan om goed te herstellen voor de laatste beklimming.

De wedstrijd

M’n hart vol van adrenaline van de vorige dag en m’n hoofd gefocust op de hoofdprijs zorgde ervoor dat ik maar 30 minuten kon slapen. We bleven ons verbazen over de uitdaging tot nu toe, en dat er nog maar één beklimming voor succes nodig was.

Eenmaal bij de startlijn aangekomen, heerste er een sfeer van enthousiasme en gezonde spanning. Het startschot klonk, en ondanks dat het eerste deel was geneutraliseerd, deed iedereen z’n best om de beste positie te bemachtigen. Zo erg zelfs, dat verschillende valpartijen gaten in het peloton veroorzaakten. Gelukkig bleef ik op m’n fiets zitten, maar miste ik hierdoor wel de aansluiting met de eerste groep met hierin Laurens ten Dam en andere Pro Tour-renners. Ik was bang dat ik achterop zou raken, met vermoeide benen die al ruim 10000 hoogtemeters hadden overwonnen.

Toen de klim eenmaal begon, haalde ik weer fietsers in. Veel waren, zo fris en snel als ze waren, te enthousiast van start gegaan. Met nog 10 kilometer te gaan en het zwaarste deel van de klim in het verschiet, beet ik op m’n tanden en trapte ik door om de top zo snel mogelijk te bereiken.

De laatste 10 kilometers van de klim zijn de meest zware, met stukken tot wel 27% steil. Deze stukken beklimmen is niet anders dan een ware kwelling te beschrijven. Met al drie keer in de benen wist ik precies wat er nog zou komen, dus probeerde ik in m’n ritme te vinden om zo goed boven te komen.

Achteraf bleek mijn vierde beklimming de snelste te zijn. Ik had de 105 kilometer in iets meer dan 4 uur bereden. Daarmee kwam ik in de top100 van de 600 deelnemers, en was mijn uitdaging om 700km en 14.400 hoogtemeters te rijden geslaagd. De opluchting en blijdschap bij mij en mijn team was onvergetelijk.

En nu?

Ik schrijf deze column in een hotel aan de Australische Oostkust, vlak na een interview met SBS over mijn 2019-programma. Er staan een paar flinke uitdagingen op de planning van volgend jaar.

In juli 2019 ga ik de Tour de France rijden en kom ik eerder aan dan een peloton van ’s werelds beste renners. Hoe? Meer info vind je hier.

Tot een volgende keer…